
Jurisprudentie
BB9441
Datum uitspraak2007-12-05
Datum gepubliceerd2007-12-05
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200702735/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2007-12-05
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200702735/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 17 september 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bellingwedde (hierna: het college) het verzoek van appellant om vrijstelling voor het uitoefenen van een prostitutiebedrijf op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) afgewezen.
Uitspraak
200702735/1.
Datum uitspraak: 5 december 2007
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant],
tegen de uitspraak in zaak no. 05/56 van de rechtbank Groningen van 6 maart 2007 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Bellingwedde.
1. Procesverloop
Bij besluit van 17 september 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bellingwedde (hierna: het college) het verzoek van appellant om vrijstelling voor het uitoefenen van een prostitutiebedrijf op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) afgewezen.
Bij besluit van 30 november 2004 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 6 maart 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) het door appellant daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 16 april 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 juni 2007, heeft het college van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 oktober 2007, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. W.J.Th. Bustin, advocaat te Groningen, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.A. Janiszyn, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. In zijn verzoek om vrijstelling van 8 maart 2001 heeft appellant te kennen gegeven dat hij op dat moment nog vijf jaar, tot hij de leeftijd van 65 jaar had bereikt, een prostitutiebedrijf op het perceel wenste te exploiteren. Sindsdien is op het perceel een prostitutiebedrijf geëxploiteerd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat, indien appellant nog in leven is, hij op 4 januari 2006 de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Nu hij met gegrondverklaring van het beroep derhalve niet kon bereiken dat hij gebruik kan maken van de door hem gewenste vrijstelling, bestond geen belang bij beoordeling van het beroep. De rechtbank heeft het beroep dan ook terecht om die reden niet-ontvankelijk verklaard. De Afdeling komt daarom niet meer toe aan een oordeel over de andere gronden van het hoger beroep.
2.2. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. G.J. van Muijen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.
w.g. Slump w.g. Lodder
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2007
17-499.

